Alle berichten van Rob van der Staaij

Waar haal je het vandaan?

Soms raken mensen op deze website verzeild, die op zoek blijken naar de herkomst van de achternaam Staaij. Vooruit dan maar: Staaij (er zijn nog allerlei andere spellingvarianten zoals Staay, Staai, Staeij en Staey) is niets meer dan een variant van Stee. Deze naam komt ook nog als zelfstandig woord voor en betekent ‘plaats, plek’ en ‘ meer specifiek ‘ ‘boerderij, hoeve’. De achternaam Staaij is  een zogeheten toponiem, een naam die een plaats aanduidt.

De variant Staaij vindt zijn oorsprong in het dialectgebied waar ee als echte tweeklank, dat wil zeggen als ai wordt uitgesproken. Dit gebied beslaat een groot deel van de zuidwestelijke Randstad. Van der Staaij is dus gelijk aan Van der Stee.

Knoflook

In Duitsland houden de mensen van hard werken. In Griekenland en andere mediterrane landen houdt men van het goede leven. Terwijl de mensen in Duitsland flink door sparen, precies op tijd hun afspraken nakomen en een en al ijver zijn, tafelt men er rond de Middellandse Zee lustig op los, komt die afspraak mañana wel en laat men de siësta niet wijken voor de arbeid.

Het is cultuurkennis die de meeste mensen eigen is, die het jachtige Noordwest-Europa ontvluchten om in het warme zuiden de vakantie door te brengen. Behalve mooi weer en lekker eten, lijkt het leven daar geen haast te hebben en komen we er met een uitgerust en tot rust gekomen lijf en hoofd weer vandaan. Zozeer, dat het na een verblijf in Spanje, Portugal of Italië altijd weer wennen is aan het rappe ritme van het leven in eigen land.

Wat de meeste vakantiegangers wel weten, is kennelijk geen gemeengoed onder de politici en economen die de euro hebben bedacht. Zij dachten dat het wel mogelijk moest zijn om één munt uit te strooien boven al die landen met al die verschillende culturen en leefwijzen, zonder daar een centraal begrotingsbeleid of andere centrale waarborgen voor een stabiele koers tegenover te stellen.

Met als gevolg dat het uit de pas lopen van piepkleine Mediterrane economietjes andere landen, waar wel hard wordt gewerkt, dwingt garantiebedragen bij elkaar te schrapen, die zo groot zijn dat er nog niet eens genoeg eurobiljetten zouden bestaan om het te cashen.

De vraag is natuurlijk wel wat nou werkelijk het onderliggende probleem is. Zijn de mensen rond de Middellandse Zee dan echt lui? Waarschijnlijk niet minder dan u en ik. Wanneer we een beetje over de wereld rondkijken, valt het op dat de zwakste economieën zich in gebieden bevinden waar het warm of zeg maar gerust snikheet is. De sterkste economieën daarentegen bevinden zich zonder uitzondering in die aarddelen waar een gematigd klimaat heerst.

De bedenkers van de euro hadden eerst eens een complete voetbalwedstrijd moeten spelen bij vijfendertig graden Celsius.

Woord en wet

Ooit stond er een artikel in NRC Handelsblad met de titel ‘Taal kent geen wetten’. Samengevat was het een betoog tegen de ideeën van Noam Chomsky, een taalkundige (en politiek activist, wat we hier verder maar even buiten beschouwing laten) die ergens in de jaren vijftig van de vorige eeuw met zijn universele grammatica op de proppen kwam.

Met die universele grammatica probeerde Chomsky te verkopen dat er zoiets als een onderliggende structuur zou zijn, waar alle talen van de wereld zich aan zouden houden en die zelfs aangeboren zou zijn. Op die manier zou het vermogen om een taal te spreken niet veel meer zijn dan een invuloefening waarbij woorden en grammaticale constructies als blokjes in voorgevormde en in een vaste volgorde gepositioneerde pasvormen gestopt worden.

In het eerder genoemde artikel werd aan de hand van – overigens niet zo heel veel – voorbeelden uit allerlei exotische talen geïllustreerd dat er hoogstwaarschijnlijk helemaal geen algemene kapstok is, waaraan alle talen van de wereld opgehangen kunnen worden. Laat staan dat zo’n algemene structuur al in aanleg aanwezig zou zijn in de hersentjes van ongeboren en op taalgebied dus nog volkomen onnozele kinderen. Talen blijken zo divers dat er met de beste wil ter wereld geen universele patronen in te ontdekken zijn.

Maar dat wil nog niet zeggen dat er geen wetmatigheden voorkomen in talen. Sterker nog, elke taal van de wereld, in heden en verleden, is geworden tot wat die is als gevolg van keiharde wetmatigheden die niet onder doen voor de wetten van de natuurkunde. Die wetmatigheden werden al meer dan tweehonderd jaar geleden ontdekt en zijn, ook al weer heel lang geleden, door Duitse taalkundigen aangeduid met een – je kunt van het Duits zeggen wat je wilt – heel fraai Ausnahmslosigkeit der Lautgesetze.

Bijna iedereen weet dat een taal in de loop van de tijd verandert. Woorden raken in onbruik, nieuwe woorden verschijnen. Grammaticale constructies worden vervangen door nieuwe. Veel minder ‘zichtbaar’ en dus ook veel minder bekend is dat ook de klanken van een taal veranderen. Wie weet dat de Nederlandse woorden ‘kracht’, ‘gracht’ en ‘hechten’ ooit ‘kraft’, ‘graft’ (want dit woord is afgeleid van het werkwoord graven) en ‘heften’ zijn geweest? Toch laat een vergelijking met onze nauw verwante buurtalen Engels en Duits en Middelnederlandse teksten zien dat dat het geval is en dat in het Nederlands kennelijk ooit een klankverandering van -ft- naar -cht- heeft plaatsgevonden.

Die klankveranderingen blijken wetmatig. Alle Nederlandse woorden waarin de klankcombinatie -ft- voorkwam, zijn geworden tot woorden met -cht-. Maar hoe zit het dan met een uitzondering als lift? Heel eenvoudig. Het woord lift is een leenwoord (uit het Engels) en geïntroduceerd op een moment dat de klankwet -ft- > -cht- niet meer werkzaam was. Een klankwet raakt namelijk uitgewerkt op het moment dat alle woorden waarin de betreffende klank voorkomt, opgeruimd zijn. Een klankwet is dus beperkt in de tijd, maar is ook beperkt in plaats. Het Engels en het Duits – beide nauw verwante talen – hebben de betreffende klankverandering niet doorgemaakt. Deze en andere talen kennen weer hun eigen klankveranderingen.

Koffiedik

Het is tien over negen in de ochtend. Tamelijk gehaast komt de managing director zijn kantoor binnen. Over een klein uur begint de vergadering en hij moet zich nog voorbereiden – de agenda bekijken, enkele stukken nalezen, zijn inbreng bepalen. Enigszins geërgerd stelt hij vast dat het weer de files waren, die hem die ochtend verlaat deden arriveren.

Hij hangt zijn jas op aan de fraaie design-kapstok in een hoek van de entree van het klassiek ingerichte kantoor, ziet door een open deur zijn secretaresse achter haar bureau zitten. Zij is zoals gewoonlijk al vanaf acht uur aan het werk en is bezig de post van haar baas door te werken. Ontspannen inventariseert en ordent zij de e-mailberichten die de vorige avond en afgelopen nacht zijn binnengekomen.
‘Goedemorgen, Els’, roept hij haar in het voorbijgaan toe.
‘Goedemorgen’, antwoordt zij met een opgewekte lach.
Hij loopt zijn werkkamer binnen en opent zijn bruinleren aktetas. Snel rukt hij alle stukken tevoorschijn, die hij voor de vergadering moet doornemen, en spreidt die slordig over zijn bureau. Dan loopt hij de kamer van zijn secretaresse binnen.
‘Had je weer oponthoud?’, vraagt ze met oprechte belangstelling.
‘Ja, die ellendige files’, antwoordt hij, ‘ik moet steeds vroeger van huis. Is iedereen straks aanwezig bij de meeting?’
‘Ja hoor, voor zover ik kan overzien wel. Er heeft zich niemand afgemeld.’
‘Mooi. Nou, eerst maar eens een kop koffie halen’, zegt hij. Hij kijkt op zijn horloge. ‘Jij ook?’
‘Ja, lekker. Zonder suiker graag.’

Tot zover dit alledaagse tafereeltje dat zich in tal van Nederlandse bedrijven zou hebben kunnen afspelen. Wat is dat nou weer voor flauw stukje, zult u misschien zeggen. Inderdaad. Maar wanneer een Vlaming dit leest, rollen zijn ogen uit hun kassen van verbazing.

Winderigheid

Ik heb wel eens een boze brief naar de krant geschreven als reactie op een artikel met de alleszeggende titel ‘Hebt u speciale wensen, zoals vlees?’ van een of andere professor, dat even daarvoor in dezelfde krant was gepubliceerd.

Vlees is na mijn gezin zo ongeveer het belangrijkste in mijn leven. Het eten van een goed bereide ribeyesteak betekent voor mij het hoogst denkbare welbehagen, meer nog dan welk ander lichamelijk genot dan ook. Ik zal daarom nimmer bereid zijn om minder vlees gaan eten. Tegelijkertijd draag ik wel degelijk mijn steentje bij aan de maatregelen tegen de broeikaseffect veroorzakende veeteelt.

Zo eet ik veel meer soorten vlees dan er in heel de vleeswijzer te vinden zijn, zoals kwartel, duif, eend, geit, hert, paard en zo kan ik deze hele pagina nog wel doorgaan. Allemaal vleessoorten waarvoor geen regenwouden hoeven te worden gekapt om veevoer dan wel vee te telen. Bovendien is het afkomstig van dieren die een lekker leventje hebben gehad en met hun scheten maar een heel bescheiden bijdrage leveren aan de opwarming van de aarde.

Ook eet ik van een beest veel meer dan alleen het gewone vlees, zoals hersens, hart, longen, nieren, ogen en testikels. Als ik die tenminste kan verkrijgen, want als ik er bij de Keurslager om vraag, kijkt hij alsof ik mijn dwangbuis ben vergeten aan te trekken. Het is orgaanvlees waarvoor al die Nederlanders die een grote mond opzetten over duurzaamheid en broeikaseffect hun neus ophalen, maar dat in tal van andere culturen als heel gewoon of zelfs als delicatesse wordt beschouwd.

Samen met mij zijn er honderden miljoenen Chinezen en nog eens honderden miljoenen mensen uit andere opkomende economieën die niet bereid zijn om minder vlees te gaan eten. Integendeel, die mensen zullen in de toekomst meer vlees gaan eten, veel meer. Een deel van de antwoorden op die toenemende vleesconsumptie is al gegeven: meer van die koe opeten en ook andere soorten vlees eten.

Daarnaast zijn er plenty alternatieve gebieden om vee en hun voer te telen. In Afrika en Azië barst het van de savannen en steppen die met irrigatie en bemesting geschikt te maken zijn en een ruimte bieden waar koeien dolgelukkig van worden. Zo kan het uitbannen van de intensieve veehouderij ook nog eens hand in hand gaan met het stimuleren van de economie in minder ontwikkelde landen.

Corn, tofu, soja? Ammehoela.

Werktuig

Toen ik, ergens in de jaren tachtig, mijn eerste college Informatica volgde, waren de openingswoorden van de professor gewijd aan de magische krachten die de computer – toen al – werden toegedicht. Ontnuchterd moesten de studenten aanhoren dat de computer niet de alleskunner was die de mensheid zou verlossen van al haar problemen, maar slechts een ‘apparaat’ was, net als een koffiezetapparaat of een tosti-apparaat.

Nog altijd is de computer niet meer dan een apparaat. Een betrekkelijk simpel apparaat bovendien, gemaakt van kunststof en metaal, dat voortdurend gekoeld moet worden, lawaai maakt en meestal voorzien is van een gedrocht van een besturingssysteem dat vaak secondenlang nodig heeft om de meest eenvoudige opdrachten uit te voeren. Een apparaat waar over honderd of tweehonderd jaar net zo hard om gelachen zal worden als wij nu doen om een morse-apparaat.

Tegenwoordig zijn veel computers met elkaar verbonden via een geheel dat we internet noemen. Dat internet wordt door sommige mensen bejubeld als een nieuwe, virtuele wereld die wij op elk gewenst moment kunnen betreden en een nieuwe dimensie verleent aan ons prozaïsche aardse bestaan. In werkelijkheid is het internet niets anders dan een aantal aan elkaar geknoopte computers, rekenapparaten die van dezelfde eenvoudige materialen zijn gemaakt en net zo veel lawaai maken als uw eigen rekenapparaat.

Wanneer u uw documenten ergens vanuit de cloud ophaalt, berichten kakelt naar Jan en alleman of uw profiel updatet op uw social network, stapt u niet als virtuele gestalte de cyberspace binnen, maar doet u niets anders dan elektronisch gegevens uitwisselen met een andere computer die zich elders bevindt en via een aantal kabeltjes of een bepaalde frequentie is verbonden met uw eigen computer. Het zijn precies dezelfde principes die dan in werking treden als bij de morse-apparaten van weleer.

Er zijn zelfs mensen die veronderstellen dat computers het op enig moment voor het zeggen zullen krijgen en de mens naar het tweede plan zullen verwijzen. Ze kunnen immers sneller rekenen, meer onthouden en worden niet gehinderd door emoties. Ze kunnen veel sneller gevuld worden met kennis en hun kennis kan ook gemakkelijk van de ene naar de andere computer worden overgeheveld. Doordat ze van simpele materialen zijn gemaakt, kunnen ze ook eenvoudiger operationeel worden gehouden dan mensen – ze worden niet ziek en hebben niet zulke ingewikkelde brandstoffen nodig als mensen.

Ongetwijfeld zullen computers ook intelligenter worden dan mensen. Schakers moeten het nu al tegen ze afleggen en menselijke hersenen evolueren – als ze überhaupt nog evolueren – een stuk minder snel dan computers. Maar er is één ding dat computers niet kunnen en nooit zullen kunnen: kleine computertjes ofwel nakomelingen maken. Daar zijn fabrieken voor nodig en fabrieken worden door mensen gemaakt. Daarmee ligt de controle over computers altijd in mensenhanden, in het heden en in de toekomst.

Cyber, de nieuwe messias.

Suikerziekte

Heeft u dat ook wel eens gehad, dat je zo hongerig wordt dat je helemaal slap wordt, dat het zwart wordt voor je ogen en dat het zweet je uitbreekt? Vast wel. Het verschijnsel wordt veroorzaakt doordat je lichaam – helemaal logisch natuurlijk – gebrek krijgt aan energie. De Nederlandse taal kent tal van uitdrukkingen voor heel erg hongerig worden, zoals ‘van je graat vallen’, ‘honger als een paard hebben’ en, iets minder bekend, ‘honger jaagt de wolf uit het bos’.

Maar wat gebeurt er nou eigenlijk precies? Je lichaam krijgt een tekort aan glucose, de brandstof die lichamen laat bewegen, huppelen en dansen. De remedie is eenvoudig: je moet glucose eten, het liefst in directe vorm zoals druivesuikersnoepjes. Gelukkig zijn die bij elk tankstation te koop. Glucose behoort toevallig tot die voedingsstoffen die het snelst door het lichaam worden opgenomen, dus dat komt mooi uit: je neemt een druivesuikersnoepje en binnen enkele minuten ben je weer boven Jan.

In Nederland wemelt het van de tankstations, winkels, keukens, kantines, snackbars en andere plaatsen waar druivesuikerhoudende snoepjes of andere voedingsmiddelen voorradig zijn die je van je hongergevoel afhelpen en je weer energie geven. Daarom weten de meeste mensen niet wat er met je gebeurt, wanneer je vergaat van de honger en er geen versnapering voorhanden is.

Niets. Op een gegeven moment gaat je lichaam namelijk zelf glucose aanmaken, via een proces dat gluconeogenese wordt genoemd. Daarbij wordt glycogeen omgezet in glucose. Glycogeen is een substantie die uit glucose wordt gevormd en – anders dan glucose – geschikt is om in het lichaam te worden opgeslagen. Dat glycogeen wordt door het lichaam aangemaakt in tijden van overvloed, dus wanneer je niet van de snacks en de koekjes kunt afblijven.

Als je dus maar lang genoeg wacht, krijg je vanzelf weer energie en gaat het hongergevoel weer weg. Voorwaarde is wel dat je geen suikerpatiënt bent. Ik doe dat wel eens voor de sport, gewoon om mijn zelfdiscipline weer eens wakker te schudden. Voor mijn gewicht hoef ik het niet te doen, integendeel zelfs: hoe veel en hoe vet ik ook eet, mijn lichaam weigert om vetrolletjes aan te maken.

Wat is de moraal van dit verhaal? Als je niet de wilskracht hebt om af en toe zo’n oefening te doen en weerstand te bieden aan je hongergevoel, zal het je ook nooit lukken om echt af te vallen. Sonja Bakker, Montignac, Atkins of welk dieet dan ook ten spijt.

Modernistisch

Museum Belvédère in Friesland is een soort blokkendoos op een met behulp van sloten en paden in repen verdeeld grasveld waar alles verraadt dat de graafmachines er nog maar net weg zijn. De parkeerplaats is op ten minste tien minuten verwijderd van de ingang, zodat je op je gang naar de ingang gedwongen wordt de eentonige grasstroken en de in keurige Nederlandse rijtjes geplante, piepjonge boompjes te bestuderen. Alles is er zo vierkant en rechtlijnig, dat zelfs Mondriaan er hevig naar ronde vormen zou beginnen te snakken.

Binnen nemen mijn kinderen met een verveeld gezicht het onvermijdelijke speurtochtformulier in ontvangst, met een potlood waarmee je – hoe hard je ook drukt – nog niet de vaagste lijn op het gladde papier gestreept krijgt. Ik vergeet telkens om, naast de museumjaarkaart, ook een etui mee te nemen naar het museum. Geroutineerd overhandigen ze mij, eenmaal buiten het zicht van de dame achter de balie, de formulieren. Snel schrijf ik hun naam op beide formulieren. Inmiddels ben ik geoefend in het nabootsen van twee verschillende kinderhandschriften.

Her en der lopen groepjes mensen die zo weggelopen lijken te zijn uit het grootstedelijke theatercircuit, ze lijken in ieder geval in de verste verte niet op de mensen die hooguit enkele kilometers verderop in een Fries dorpscentrum op straat lopen. ‘Heel bijzonder, dat spelen met kleuren’, ‘Zie je hoe dat geel en wit overheersen?’ en ‘Je herkent echt die lijnen’, hoor je ze links en rechts relevant proberen op te merken.

In de eerste zaal, pal om de hoek – je moet je 180 graden omdraaien om het te kunnen bekijken – hangt een stuk golfplaat aan de muur, omvangrijk genoeg om niets meer aan dezelfde muur te hoeven hangen. Het is van vaag transparant materiaal. Ongeschikt voor een kippenhok, stel ik snel vast. De beesten zouden gesmoord worden door de binnendringende zonnewarmte. Misschien vond de kunstenaar het ergens op een bouwplaats van de naburige nieuwbouwlocatie. De verfvlekken die er op zitten wijzen in die richting, maar het zou ook kunnen dat de maker een liefhebber is van paintball.

In dezelfde zaal hangen ook enkele schilderijen waarover je verhandelingen kunt houden die je maar wilt, maar waaraan in één oogopslag te zien is dat de kunstenaars er stuk voor stuk heel wat minder tijd aan hebben besteed dan Rafaël aan zijn La Donna Velata. Toen ik dat schilderij in Florence zag hangen, raakten mijn ogen minutenlang gefixeerd door het vakmanschap. Alleen al aan die mouw van haar moet hij weken bezig zijn geweest.

Raphael

‘Dat kan ik ook’, is het eerste wat mijn zoontje zegt, wanneer hij een blik op een van de schilderijen werpt. Kernachtiger had hij het wezen van de moderne of, zo u wilt, hedendaagse kunst niet kunnen verwoorden. Moderne kunst is voor het overgrote deel luie kunst, ingetreden met de komst van de fotografie en vervaardigd door kunstenaars die hun luiheid met attributen als ‘sober’, ‘met minimale middelen’, ‘fundamenteel’, ‘abstract’ en weet ik veel wat niet meer proberen te verhullen. Soms slooft een kunstenaar zich uit door een schilderij gedetailleerder dan een foto te maken, daarmee juist blootgevend dat de fotografie inderdaad als rivaal gezien wordt.

In de overige zalen lijkt de snelheid waarmee de kunstwerken gemaakt zijn steeds meer op te lopen. Steeds sneller ook lopen wij er langs, af en toe onze pas opzettelijk een beetje verlangzamend om het niet al te veel te laten opvallen. Heel af en toe hangt er een schilderij tussen dat naar iets van herkenbaarheid zweemt en waar de kinderen prompt meer aandacht aan besteden. In de laatste zaal hangt een groot aantal stukken karton met veelkleurige verfstrepen. We proberen de bijbehorende naamkaartjes te vinden, maar die ontbreken. ‘Papa, zijn die door chimpansees gemaakt?’, vraagt mijn dochtertje.

Moderne kunst is cuntst.

Ongegrond

Er zijn in de geschiedenis van de mensheid vele oorlogen gevoerd en er zijn evenzovele redenen voor het voeren van oorlog. Een van de belangrijkste gronden waarom een volk of land ruzie zoekt met een ander volk of land is grond. En niet alleen volken of landen. Ook gemeentes, buurmannen, bavianen en roodborstjes zoeken ruzie met elkaar om grondgebied. Daarbij gaat het altijd om het verdedigen van grondgebied of het verkrijgen van meer grondgebied, nooit omdat mens of dier overtollig grondgebied kwijt wil.

Grondgebied biedt namelijk grote voordelen. Je kunt er op wonen, je kunt er je jongen op groot brengen, je kunt er voedsel vangen of op verbouwen en je kunt het als buffer gebruiken om ongenode gasten buiten de deur te houden. Hoe meer je er van hebt, hoe groter die voordelen. Grond geeft grandioze garanties.

De meeste landen die streven naar meer grondgebied weten wel dat andere landen het daar meestal niet mee eens zijn. Daarom verzinnen landen die grond willen inpikken vaak een smoes. Bijvoorbeeld dat het volk waarvan men de grond wil afpakken wordt onderdrukt en daarom moet worden bevrijd. Of dat de tegenstander begonnen is met schieten en het eigen land daarom moet worden verdedigd. Toen Hitler meer Lebensraum wilde voor Duitsland en in 1939 Polen aanviel, zei hij dan ook: ‘Seit 5.45 Uhr wird zurückgeschossen.’

Grondgebied is ook de reden waarom China Tibet heeft bezet. Met Tibet heeft China meer Lebensraum voor Chinezen in handen, een buffergebied tegen mogelijke agressors vanuit de andere kant van de Himalaya en een vuilnisbelt voor nucleair afval. Al eeuwenlang heeft China stukjes afgeknabbeld van Tibet, in de periode 1949-1951 ten slotte werd het laatste deel ingelijfd. Ook China verzon destijds een smoes: de inlijving vond plaats in het kader van de ‘Peaceful Liberation of Tibet’.

Die inlijving is al zo lang geleden dat iedereen er intussen aan gewend is geraakt. In de meeste atlassen, de Bosatlas incluis, heeft het bezette Tibet al jaren dezelfde kleur als China, waardoor het niet meer dan een provincie lijkt van dat land of zelfs helemaal niet zichtbaar is.

De bezetting van Tibet zou allang – in weerwil van de opstand in 1959 waarbij duizenden Tibetanen het loodje legden – helemaal in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat we inmiddels beschikken over een wereldwijde tamtam die internet heet. Daardoor komt er steeds meer Tibetaans geluid over het dak van de wereld waaien en moeten de Chinezen steeds meer op de tegentrom slaan.

China is eigenlijk niet meer dan een feodaal landjepikland.